Woordspeling

Ik ben nog een beetje licht in het hoofd na een optreden als een man op me toe komt stormen. ‘GEWELDIG!’ roept hij uit. Hij slaat me op de schouder. Hij duwt me een biertje in handen. Hij doet zijn uiterste best mijn trommelvliezen aan flarden te schreeuwen. Ik besluit het hem te vergeven. Zijn bulderende stemgeluid heeft een poëzieavond lang aan de ketting gelegen. Nu moet het er even uit. Dat begrijp ik best. Kwispelend rent het in het rond, jaagt het zijn eigen staart na en duikt het mijn oor in. Alles stroomt. Niets blijft. Mijn oor drijft later vanavond nog wel af naar een plekje waar het rustig bij kan komen. Mijn geest is het alvast vooruit. Slechts af en toe krijgt het wat mee van het gebulder dat mijn gehoor vervult. ‘WAT EEN WOORDSPELING… TUINEN… HOE KOM JE EROP… MET MIJN EX WAS HET PRECIES ZO…’
‘Welke woordspeling,’ kan ik niet laten te informeren.
Even kijkt hij me stomgeslagen aan. Zijn stem is zowaar tot menselijker proporties teruggebracht als hij weer begint te praten. ‘Dat van die tuinen, je ex had je erin getuind, en nou heb je haar erin laten tuinen, en dan vraag je, hoe zei je dat, dat was nu juist zo mooi, dan vraag je heel mooi woordspelerig of ze die tuinen nou al ziet komen, weet je wel…’
Ik hoef niets meer te zeggen. Mijn verblufte blik is welsprekend genoeg. Even lijken alle raderen in zijn hoofd het tegelijkertijd voor gezien te houden. Dan ontploft er iets. ‘WAT NOU DICHTER?! HIJ BEGRIJPT ZIJN EIGEN WOORDSPELINGEN NIET EENS!’ En hij rukt mij mijn biertje uit handen, slaat het achterover en loopt met driftige passen de zaal uit.
Ik begrijp mijn eigen woordspelingen niet eens.

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *