Een papieren woord in de mond

Afgelopen vrijdag was ik in poëziecentrum Perdu één van drie ‘voordrachtskunstenaars’ die uitgedaagd werden ons uit te spreken over de vraag hoe het gesproken woord zich tot het geschreven woord verhoudt en welke implicaties dit heeft voor de manier waarop wij gedichten ten gehore brengen. Vervolgens werden we geacht onze ideeën te illustreren aan de hand van een voordracht van Gerrit Kouwenaars ‘Drie heldenzangen’, een gedicht uit de bundel Volledig volmaakt oneetbare perzik.

Ik was als laatste aan de beurt. Van tevoren maakte ik mij dan ook ernstig zorgen dat mijn voorgangers al het gras voor mijn voeten zouden weg grazen. Naar mijn gevoel moet je bij poëzie de woorden ‘gewoon’ hun werk laten doen zonder al te veel toeters en bellen. Als mijn voorgangers er vergelijkbare opvattingen op na zouden houden, zou ik weinig meer toe te voegen hebben, zo vreesde ik. Niets bleek minder waar. Pom Wolff was als eerste aan de beurt en vloog er gelijk volop in. Om Kouwenaars papieren woorden geschikt te maken voor het podium vond hij het noodzakelijk te beginnen met een freestyle op basis van elementen uit de eerste zang. Van de tweede zang schrapte hij meer dan de helft van de regels en ook uit de derde zang besloot hij de eerste twee strofes te schrappen omdat die weinig toe te voegen zouden hebben. Het resultaat was een getormenteerde woordenstroom. De tweede voordrachtskunstenaar, Ben Zwaal, had juist een bijzonder afgemeten dictie, die van elk woord een apart pareltje maakte en Poms gevoelsuitbarsting omvormde tot een verwonderde rondgang door de taal. Er bleef alle ruimte over voor een ‘gewone’ voordracht, zoals ik die zelf had gepland.

Nadat wij sprekers voor de pauze aldus ons zegje hadden gedaan, gaf na de pauze een tweetal luisteraars hun reactie. Ruben van Gogh had een vermakelijk praatje over mobiele telefoons en wiskundige reeksen. Maar ik werd vooral geïntrigeerd door Gaston Franssen, die bezig is met een promotie-onderzoek naar de poëzie van Gerrit Kouwenaar. Hij legde uit dat hij de gedichten van Kouwenaar tot zich neemt door het verzameld werk van de man vol te kladden met omcirkelingen, pijltjes, strepen en verwijzingen. En later aan de bar liet hij zich op een onbewaakt moment zelfs ontvallen dat hij niet te veel van Kouwenaars werk mocht houden, omdat dat ten koste zou gaan van zijn wetenschappelijke objectiviteit.

Wonderbaarlijk zo verschillend als mensen zich kunnen verhouden tot die prachtige poëzie.

Krijn Peter Hesselink

2 gedachten over “Een papieren woord in de mond”

  1. Laat ik het nog een keer samenvatten. Gedichten zijn er om te lezen. Tussen zender en ontvanger staat de bundel als betekenisdrager, tevens drager van lege plekken om in te vullen. Door de lezer! Ik hang nogal erg naar een receptie-esthetica – iedereen is lezer, zelfs de schrijver van het gedicht wordt een lezer na verloop van tijd en begeeft zich op een betekenisveld waar zelfs hij/zij nieuwe bloemen zal ontdekken.
    Joost Baars en Krijn Peter – zij begeven zich liever niet op een literair theoretisch terrein. Slechts onzin baren zij daar. Zij moeten schrijven. Mooie gedichten schrijven. De lezer doet het werk wel. Zij huldigen beiden het standpunt dat er maar één “de beste” manier is om een gedicht te vertolken. Mijn gedichten kunnen maar op een manier voorgedragen, was de stelling van Krijn Peter – en zo ook de gedichten van Kouwenaar. Als argument wierp Krijn Peter het ritme in de strijd. Joost Baars maakte het nog bonter. Je moet zo dicht mogelijk de tekst benaderen, sprak hij met droge ogen in het openbaar, voorbijgaand aan alle “leerstellen” die aan het gedicht zijn meegegeven door de dichter, die vanuit een receptie-esthetisch standpunt zullen worden ingevuld door lezers met een verschillende politiek, cultureel, maatschappelijk, genetisch en ga zo nog maar even door gekleurde achtergrond. Alsof een dichter alleen maar in cliché’s schrijft.
    Wanneer een performer zich plaatst tussen de zender/schrijver en de ontvanger/lezer/luisteraar, dan plaatst hij zijn persoon als betekenisdragend geheel tussen beiden. Hij zal zijn interpretatie kiezen uit het voorliggende betekenisveld en deze doorgeven aan het publiek. Alle drie vertolkers deden en konden niet anders doen. In beginsel een verschraling van wat de tekst te bieden heeft aan mogelijkheden. Een autocratische wijze omgaan met de kunst zo kun je het ook zeggen. Geef mij maar papier.
    Lieve groet, Pom Wolff.

  2. Wat ik bedoelde te zeggen was dat een goed gedicht voor mijn gevoel altijd een voordracht veronderstelt met een bepaald natuurlijk ritme. Uiteraard staat het een ieder vrij een nieuw kunstwerk van een gedicht te maken door het heel anders voor te dragen. Pijnlijk is wel, zo moet ik toegeven, dat Kouwenaar zijn eigen gedicht een ander ritme meegaf dan ik op basis van mijn lezing als het enige natuurlijke geneigd was te beschouwen.
    Met autocratische groet, Krijn Peter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.