Een dichter van papier: ‘geen huis / geen steen // helemaal stem’

Na Lava, Armada en Krakatau heeft nu ook het Hollands Maandblad de kaften voor mij geopend. In het juni-/julinummer zitten twee van mijn gedichten met grote verbaasde ogen om zich heen te kijken. Zo laat ik mijn poëzie in alle rust wennen aan de pagina. Maar soms slaat ineens de twijfel toe. Is het papier wel het geëigende medium voor de poëzie?

In vroeger eeuwen werd je raar aangekeken als je in stilte zat te lezen. Hoe kon je nu taal tot je nemen zonder die tot klinken te brengen? Tegenwoordig is het omgekeerd. Als je voor jezelf hardop uit een boek leest, in de trein bijvoorbeeld, ben je duidelijk niet helemaal goed snik. Onze relatie tot de taal is hierdoor afstandelijker geworden. Verstandelijker ook. We koesteren de woorden niet langer in de mond, voelen hun zeggingskracht niet langer trillen in onze luchtwegen. Dat levert ongetwijfeld de nodige tijdwinst en efficiency op. Ik zal het de lezers van beleidsnotities en financiële jaarverslagen – die God betere het allicht zo hun nut hebben – niet euvel duiden als ze niet elk woord uit die verheffende lectuur afzonderlijk proeven. Maar juist bij de poëzie zou het anders moeten gaan, juist de poëzie behoeft lippen van bloed.

Hoe heeft het ooit zover kunnen komen dat ook de dichtkunst voor de verlokkingen van het papier is bezweken, waardoor menig poëzieliefhebber zich nu stilletjes in een hoekje terugtrekt in plaats van zijn lievelingsgedichten luidkeels over de agora te laten schallen? Het antwoord is simpel: de geneugten van de herlezing. Waar je een gedicht in een voordracht meestal maar één keer hoort langskomen, daar maakt publicatie in boekvorm het mogelijk een gedicht zo vaak op te zoeken als je maar wilt en er telkens weer nieuwe betekenislagen in bloot te leggen.

Toch blijf ik mij herkennen in de dubbelhartigheid waarmee Lucebert zich aan de pagina toevertrouwde: ‘nog ik, die in deze bundel woon / als een rat in de val, snak naar het riool / van revolutie en roep: rijmratten, hoon, / hoon nog deze veel te schone poëzieschool.’ Maar dan moet ik ook wel weer toegeven dat de bundel die Lucebert met zoveel misnoegen zegt te bewonen, Apocrief/de analphabetische naam, een van mijn dierbaarste bezittingen is. Misschien moet ik gewoon niet zo zeuren…

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *