Hel en verdoemenis

‘Geloof jij dat ik eeuwig zal branden in de hel?’ Mijn gespreksgenoot reageerde niet gelijk. Het was in mijn studietijd en de jongen, laten we hem Frans noemen, had mijn gezelschap opgezocht. Omdat hij niet onsympathiek was, trok ik een tijd lang met hem op. Er was echter één probleem. Hij was een streng gereformeerd Christen, zo één die rustig gelooft dat er in de eerste jaren na de schepping reuzen op aarde hebben rondgelopen omdat dat nu eenmaal vermeld staat in Genesis 6:4.

‘Dat weet God alleen,’ antwoordde hij tenslotte met neergeslagen ogen op mijn vraag.

‘Ja maar wat dénk je,’ hield ik aan. ‘Hoe schat jíj mijn kansen om tot de hel te worden veroordeeld als ik niet alsnog het licht zie?’

Met treurige ogen keek hij even naar me op en wendde zich toen af.

Het was zonneklaar. Hij vond me oprecht een goede jongen. Anders had hij geen contact met me gezocht. Maar hij geloofde al even oprecht dat God mij zo verderfelijk vond dat eeuwige verdoemenis niet meer dan mijn verdiende loon was. Zijn persoonlijke oordeel en Gods oordeel (zoals hij dat inschatte) waren geen communicerende vaten.

Ik wist even niet meer wat ik moest zeggen en liep toen maar naar de koelkast om nog een biertje voor mezelf te openen. Volgens mij hebben we na die avond nooit meer een woord met elkaar gewisseld. Hoe kun je nu serieus in gesprek gaan met iemand die je als het kwaad zelve beschouwt?

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *