Broertjes

Sieger zal altijd mijn kleine broertje blijven. Al word ik tachtig en hij vijfenzeventig. In ons onderling contact zal hij altijd de drieste rebel blijven en ik de saaie ouwe lul met de onhebbelijke neiging gelijk te hebben wanneer je veel beter glorieus de mist in kunt gaan. (‘Ach, hoe kom je daar nou toch weer bij, broerlief,’ zo corrigeert mijn broertje. ‘Ik heb de onhebbelijke neiging altijd gelijk te hebben. Ook in de mist.’)

Je hoort wel dat onderlinge betrekkingen als in een vriesvak geconserveerd kunnen blijven, wanneer mensen elkaar lange tijd niet zien. Maar toen mijn broertje zich een tijd lang in Islamabad had teruggetrokken – om zichzelf te ontdekken, om Britten vanuit een Pakistaans callcentre een nieuw telefonie-abonnement aan te smeren, om aan de universiteit te onderzoeken hoe islamitische en boeddhistische mystici tot sociale hervormingen hadden aangezet – merkte ik dat er juist ruimte ontstond om ons contact opnieuw uit te vinden. Ik emailde hem uitgebreid over mijn nieuwste vlam. Ik had mevrouw net een emailtje gestuurd en keek nu voortdurend of ze al had gereageerd, wat al even voortdurend nog niet het geval was.

Toen ik voor de zoveelste keer de aandrang voelde opkomen mijn email te controleren, sprak ik mijzelf bestraffend toe. ‘Stel je niet aan, Sieger, ze mailt op z’n vroegst morgen terug.’ Pas langzaam drong tot mij door dat ik mij zoëven met mijn broertje had verward. Ik was verbluft. Wat zei dit over de manier waarop ik mij momenteel tot mijzelf verhield? En wat zei dit over de manier waarop ik mij normaliter verhield tot Sieger?

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *