Rare Arabieren

Ik leerde Achmed kennen toen ik in Utrecht voor het eerst op kamers ging wonen. Het pand aan de Mecklenburglaan werd gehuurd door een Egyptenaar. Op de begane grond zat een shoarmatent. Op de eerste verdieping woonde de broer van de Egyptenaar. Men zei dat hij vroeger in de shoarmatent had gewerkt, maar hij zou geld uit de kas hebben gejat, dus nu werkte hij niet meer in de shoarmatent, maar hij zat nog altijd gratis in zijn appartement op de eerste verdieping, een broer blijft een broer. Ikzelf zat in onderhuur op de tweede verdieping. Naast mij had een Algerijn een kamertje. Hij had altijd gel in het haar en droeg altijd gepoetste cowboylaarzen en werkte in een pizzeria en was een schat van een jongen. Tegenover mij woonde Achmed, een Syriër.

Als er discussie was over de huur, over de verwarming die het niet deed, over een plotselinge insectenplaag, dan begon het gesprek beleefdheidshalve altijd in het Nederlands, maar binnen een minuut begonnen de heren in het Arabisch te ratelen. Ik stond er vriendelijk glimlachend bij. Na afloop vertelde Achmed mij wat er was gezegd.

Op gegeven moment ging de Egyptenaar van de eerste verdieping naar Oost-Europa. Toen hij terugkwam, was hij ineens heel rijk. Een vriend en twee Marokkaanse dames van onduidelijk status waren voortdurend bij hem. Op een ochtend werden we om een uur of vijf gewekt door vernietigende housebeats. Verdwaasd kwamen Achmed, de Algerijn en ik onze kamers uit, liepen naar beneden, klopten aan bij onze Egyptische vriend, vroegen beleefd of het wat zachter kon. De deur werd dichtgeslagen. De Algerijn trok zijn vlindermes. Ik liep maar weer naar boven. Geruime tijd verstreek voor ook Achmed en de Algerijn boven kwamen. De Algerijn had de Egyptenaar flink bang gemaakt. Achmed had bemiddeld. De Egyptenaar zou nooit meer geluidsoverlast veroorzaken.

We werden er uiteindelijk door een deurwaarder uitgezet. Onze Egyptische bovenhuurder bleek al zolang als ik daar zat geen huur te betalen. Ik verloor Achmed uit zicht. Meer dan een jaar later vernam ik echter dat een of andere Arabier naar mijn toenmalige studentenvereniging had gebeld. De jongen die het me vertelde vertrouwde het zaakje duidelijk niet helemaal. Het was Achmed. We raakten andermaal bevriend. Hij leerde me wat Arabisch. We vertaalden samen gedichten, onder meer van de Irakese dichter Badr Shakir al-Sayyab. Onze vertaling van ‘De hymne van de regen’ verscheen in literair tijdschrift Armada (nummer 35). En afgelopen donderdag traden we samen op voor een Arabic Poetry Lounge in Perdu. Het was hartverwarmend. Een Nederlands meisje zei dat ze door ons weer was gaan geloven in de schoonheid van de Nederlandse taal. En een Arabische vrouw zei, in het Engels, dat ze geen woord van onze vertalingen had begrepen, maar dat ze aan de muzikaliteit van mijn voordracht had gehoord dat het goed zat. Rare Arabieren.

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *