‘Geen meel in de mond’

In 2006 verscheen bij De Arbeiderspers de bloemlezing ‘De Haagse Helicon; dichters op het Binnenhof’, samengesteld door de dichter Robert Junius. Er waren bijdragen van bekende namen als Jan Marijnissen en Geert Wilders. De kroon werd echter gespannen door onze primus inter pares, Jan Peter Balkenende. Ik citeer de slotstrofe van zijn gedicht ‘Geen meel in de mond’:

Je hoeft niet altijd met meel in de
mond te praten. Er zijn wel bepaalde
grenzen. In algemene zin: eenheid van
uitstraling is gewoonweg het beste.

De strofe opent met het lovenswaardige streven om klare taal te spreken. Prompt begint de dichter echter zand in de machine te strooien: ‘Er zijn wel bepaalde/ grenzen.’ Dat is waar. Grenzen bestaan. Er bestaan zelfs grenzen die ‘bepaald’ zijn, dit in tegenstelling tot de talloze grenzen die in afwachting van bemoeizuchtige wetenschappers of politici in een zekere onbestemdheid blijven hangen. ‘In algemene zin,’ besluit de dichter, zonder te verklappen wie of wat hij veralgemeniseert: ‘eenheid van/ uitstraling is gewoonweg het beste.’ Dat klinkt als een klok en betekent niets. Of nauwkeuriger, het kan van alles betekenen, afhankelijk van de vraag of het betrekking heeft op de uitstraling van a) een regering, b) een gloeilamp, c) een popster, d) een kernreactor of e) iets anders. De ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid van het bijwoord ‘gewoonweg’ krijgt in dat licht een bijzondere kracht.

In nog geen vier regels weet Balkenende de communicatieve werking van de taal volstrekt te ontregelen. De aanvankelijke belofte geen meel in de mond te nemen creëert een spanning die zich oplost in betekenisloosheid. Met achteloos gemak realiseert de dichter het ideaal van Stéphane Mallarmé (1842-1898) om de woorden van hun alledaagse functionaliteit te beroven en ze in een goddelijke leegte boven zichzelf te laten uitstijgen. De retorische talenten van onze premier komen daarmee in een nieuw licht te staan. Zou alles wat ik tot op heden verklaarde uit onvermogen en gebrek aan ruggegraat dan teruggaan op een geraffineerde onderliggende poëtica?

Krijn Peter Hesselink

PS Ik zie overigens ook mogelijkheden tot een andere interpretatie. Het bestaan van ‘bepaalde/ grenzen’ zou er dan op duiden dat de spreker weliswaar van zins is minder ‘meel in de/ mond’ te nemen, maar wel binnen bepaalde grenzen, omdat hij nu eenmaal heeft te streven naar ‘eenheid van/ uitstraling’. Wollig taalgebruik zou dan dienen om een gebrek aan eenheid te maskeren, waarbij zowel gedacht kan worden aan onenigheid binnen het kabinet als aan innerlijke tegenstrijdigheden in de standpunten van de spreker. Een weinig oorspronkelijk inzicht, maar wel een opmerkelijke bekentenis uit de mond van onze minister-president.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.