‘We mengen niet’

We mengen niet; en als ik dat toch probeer, dan duw ik je uit je weg. Dat was de strekking van een gedicht dat Milla Braat voordroeg op het Nederlands kampioenschap slam-poetry. Er was nog wel het een en ander op haar optreden af te dingen. Zo merkte jurylid Joost Prinsen terecht op dat haar voordracht te gedragen was en daardoor te vlak bleef. En tekstueel kon het bondiger. Maar ze is dan ook nog verschrikkelijk jong, zeventien jaar, dus wie weet wat de toekomst nog zal brengen.

Het Nederlands kampioenschap werd dit jaar in de Utrechtse Tivoli gehouden, de plek waar ikzelf twee jaar geleden mijn literaire entree maakte door de editie van 2006 te winnen. Ditmaal was ik gekomen om mijn broertje, Sieger Baljon, toe te juichen. Ik was zo graag een dynastie begonnen. Als Sieger eenmaal met de nationale titel aan de haal was gegaan, zo was het plan, dan zouden we vervolgens onze oudere zus, Katinka Hesselink, klaarstomen om in 2010 de literaire podia te veroveren. Sieger sneuvelde echter al in de eerste ronde. Geheel ten onrechte, dat begrijpt u.

Dat Braats gedicht mij is bijgebleven komt deels omdat het nauw aansluit op mijn gedachten over Als geen ander, mijn debuutbundel, en over de vervolgbundel waar ik nu aan werk. Over het algemeen is Als geen ander goed ontvangen. Zo was Rob Schouten in Vrij Nederland zeer te spreken over ‘het feit dat dit wezenlijk ongrijpbare mysterie zonder dikdoenerij of mystificaties wordt opgevoerd.’ En Janita Monna constateerde in de Groene Amsterdammer goedkeurend dat ik ‘met licht verende tred’ en ‘een oorspronkelijke geest’ door het leven ga. De recensie die mij het meest aan het denken heeft gezet, was echter die van Els van Geene voor NBD|Biblion: ‘Er is ’n diep verlangen naar ’n “hof van heden”, maar noch familieleden noch geliefden zijn bij machte hem daarin te volgen. Beoogde communicatie valt vaak uiteen in vervreemdende rolwisselingen of angstdromen. De zieke grootmoeder die in fantasieën leeft, lijkt de dichter meer nabij te komen, hoe verdrietig de situatie ook is.’

Als geen ander gaat voor een belangrijk deel uit van het utopische streven dusdanig met iemand te versmelten dat die ander geen ander meer is. Milla Braat constateert echter terecht dat de mens niet mengt en dat wie dat toch probeert de ander niet aanhaalt maar juist afstoot. Je krijgt pas oog voor de eigenheid van de ander, als je accepteert dat je die ander nooit volledig zult kennen. De overspannen verwachtingen van de spreker in Als geen ander verklaren allicht mede waarom er, op de grootmoeder uit ‘Grootmoeder op haar ziekbed’ na, nauwelijks levensechte portretten van derden in het boek te vinden zijn. Een mooie uitdaging voor een volgende bundel. Spitsvondigheid zal deels plaats moeten maken voor een warmere medemenselijkheid. Tot zover mijn goede voornemens. Nu maar afwachten wat ik daarvan weet waar te maken in 2009.

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.