Onze machteloze mate van vliesvleugeligheid

Toen ik zaterdag in de krant las dat de dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek was overleden, moest ik denken aan de lerares Nederlands die mij ooit met haar poëzie kennis liet maken. Hoe heette ze ook weer? Het was een vriendelijke vrouw.

Zo stond ze mij toe dat ik Het frietcomplot op mijn leeslijst zette, een absurdistisch epos dat ik tijdens de lessen had geschreven samen met mijn goede vriend Luuk van der Meer, ter publicatie in de schoolkrant. Voor al mijn leeslijsten hanteerde ik eenzelfde strategie. Ik stopte ze vol standaardboeken die iedereen las en die ik ongelezen liet. En ik zette er een paar verschrikkelijk pretentieuze werken op zoals The waste land van T.S. Eliot, Les fleurs du mal van Charles Baudelaire en Also sprach Zarathustra van Friedrich Nietzsche. Daar waren de docenten zo mee in hun schik dat ze de andere boeken verder lieten voor wat ze waren. Behalve mijn lerares Nederlands dan. Die zaagde me eerst tien minuten door over Van den Vos Reynaerde om mij vervolgens met een sceptische blik te vragen of ik de briefroman van Betje Wolff en Aagje Deken werkelijk he-le-maal had gelezen. ‘Hier en daar heb ik misschien wel een natuurbeschrijving overgeslagen,’ zei ik, biddend dat het werk inderdaad natuurbeschrijvingen bevatte. Na nog eens tien martelende minuten kwamen we eindelijk toe aan De amsterdamse school van Lucebert, waar zij minstens zo weinig van leek te begrijpen als ik. Over Het frietcomplot wilde ze vooral graag weten wat de roze Pino’s symboliseerden. Ik had geen idee.

Enige tijd daarvoor was Lucebert overleden. Ik herinner mij dat ik tijdens de les mijn vinger opstak en voorstelde om een minuut stilte voor hem in acht te nemen. Mijn lerares Nederlands zei dat Lucebert een hekel had gehad aan dergelijke formaliteiten. Prachtig afgewimpeld. Maar terecht was het niet. Lucebert had het vast prachtig gevonden als zelfs zijn dood nog kon dienen om een les mee te onderbreken.

Nu is Fritzi ten Harmsen van der Beek hem dus achterna gegaan. Ze publiceerde maar twee bundels tijdens haar leven. En maar één goede: Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten. Ze was allicht slechts een voetnoot bij de naoorlogse poëzie, maar dan wel een hele fijne. Neem het gedicht ‘Onduidelijke correspondentie en de nadelige gevolgen, in twee verzen’, waarin een vrouw zich gereïncarneerd ziet in een boom. In haar ‘onmetelijke toppen’ vindt zij ‘een/ dagboekblaadje, onherkenbaar ook veranderd in zo’n onheil// spellende vlinder die Morpho heet’. Lager bij de grond zit ‘een nog onaanzienlijker insekt dat// wegens zijn voorheen geringere verdiensten van onverzonden/ briefje door de schepper slechst bevorderd was tot// machteloze mate van vliesvleugeligheid’. Hopelijk is de schepper – of De Bezige Bij – zo goed Fritzi te laten reïncarneren in een mooie herdruk. Zelf heb ik jaren moeten wachten voor ik in een antiquariaat eindelijk mijn slag kon slaan.

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.