Door mijn eigen gedichten terechtgewezen?

In het boek Spring and All stelt William Carlos Williams dat dichters plagiaat plegen op de werkelijkheid als ze die proberen weer te geven in hun poëzie. Voor dat doel schiet de taal haast per definitie tekort. Maar als Williams in zijn bijzonder autobiografisch getinte gedichten geen poging doet de werkelijkheid weer te geven, wat probeert hij dan wel? Ik worstelde met deze vraag in verband met een lezing die ik op 14 mei geef in het Amsterdamse Perdu. En ik dacht een mooie oplossing te hebben gevonden. Lees maar.

‘De dichter die zich baseert op persoonlijke ervaringen schrijft voor een publiek dat die ervaringen niet kent. Hij kan pas goed inschatten hoe zijn woorden op dit onwetende publiek over zullen komen als hij ook zelf de autobiografische achtergrond van zijn materiaal even vergeet. Hij moet zijn woorden niet zozeer loskoppelen van de algemene betekenis die zij normaliter in de wereld hebben, als wel van de specifieke gewaarwordingen waaraan zij zijn ontsprongen. Met deze zelf opgelegde distantiëring waarborgt de auteur dat hij trouw blijft aan dat wat er staat en zich niet verliest in dat wat hij ermee bedoelt. Hierdoor verdwijnt het talige tekort als sneeuw voor de zon. De woorden en datgene wat zij tot uitdrukking brengen vormen het materiaal waarmee de dichter werkt. De woorden betekenen wat zij nu eenmaal betekenen. Daarin schieten zij per definitie nooit tekort.’

Ik moet bekennen dat ik behoorlijk in mijn sas was met deze slimmigheden. Tot ik mij geconfronteerd zag met de overigens bijzonder vleiende bespreking van mijn tweede dichtbundel Stil alarm in de Poëziekrant (zie onder persreacties op deze website). De recensent, Jeroen Dera, staat onder meer stil bij het gedicht ‘Rondgang’ over een kleverig sliertje mie: ‘toen ik probeerde/ of het zich in de vorm van jouw profiel/ je wipneus, lippen, de ronding van je kin/ tegen de deur liet plakken, viel het prompt/ tussen mijn schoenen’. Naar aanleiding van deze regels schrijft hij: ‘Maar de passage kan ook in poëticaal opzicht geduid worden, waarbij ze de onmacht van de kunstenaar tot representatie thematiseert. Zo’n interpretatie gaat ver, maar bij nader inzien zijn er in Stil alarm meerdere momenten waarop gewezen wordt op het feit dat niet alles kan worden weerspiegeld of nagebootst.’ Als hij gelijk heeft, is het talige tekort in mijn eigen poëzie nog verre van bezworen. Is die hele redenering over ‘zelf opgelegde distantiëring’ dan slechts een retorisch trucje? In Perdu kunnen jullie straks horen of ik me daar nog uit weet te lullen.

Vrijdag 14 mei
Perdu (Kloveniersburgwal 86, Amsterdam)
Zaal open 20:00 uur
Aanvang 20:30 uur
Entree 7 euro / 5 euro
Reserveren: www.perdu.nl

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.