Het grote waarom

Waarom zou iemand dichten over hoeveel er wel niet afhangt van een rode kruiwagen die glanst van de regen naast een stel witte kippen? William Carlos Williams heeft prachtige gedichten geschreven over schijnbaar triviale objecten. Afgelopen vrijdag gaf ik in Perdu een lezing over zijn poëzie, waarbij ik vooral inging op het hoe (zie ook mijn vorige bijdrage aan dit weblog). Het waarom liet ik angstvallig links liggen.

Na mij kwam Samuel Vriezen. Die betoonde zich beduidend minder terughoudend. ‘Williams is een pantheïst, die met het voorhandene tast naar wat onder het voorhandene ligt,’ zo stelde hij. Er volgde een inspirerend betoog over hoe de Amerikaanse modernist in alle aspecten van de ons omringende werkelijkheid op zoek zou zijn geweest naar het goddelijke, dat in zijn werk zou figureren onder het mom van de verbeelding, de oorlog, de lente (en andere natuurmetaforen) en Amerika. Al luisterend bleef ik echter worstelen met een probleem dat ook Vriezen zelf geenszins had verbloemd: Williams was een verklaard atheïst.

De volgende dag bedacht ik dat het concept van de ‘qualia’ hier misschien uitkomst biedt. Qualia zijn, aldus Wikipedia, kwalitatieve eigenschappen van de waarneming. Een gedachte-experiment kan het idee misschien helpen verhelderen. Ik heb een besef van rood en groen. Stel nu dat mijn ervaring van die kleuren omklapt, waardoor rood er voor mij ineens uitziet zoals ik groen altijd ervaren heb en waardoor groen er voor mij ineens uitziet zoals ik rood altijd ervaren heb. Vanuit functioneel perspectief verandert er helemaal niets. Ik ben onverminderd in staat om de kleuren te onderscheiden. Maar mijn ervaring van die kleuren is radicaal veranderd. Het zou me echter nog zwaar vallen om aan andere mensen uit te leggen wat die kwalitatieve verandering precies behelst. Misschien is hun ervaring van rood altijd al identiek geweest aan hoe ik die kleur pas sinds kort ben gaan ervaren…

De kwalitatieve eigenschappen van de waarneming maken integraal onderdeel uit van ‘het voorhandene’, waar Williams in zijn poëzie zoveel aandacht aan besteedt. Ze laten zich echter moeilijk benoemen. Volgens mij is dit waar Williams op doelt als hij in het boek Spring and All uit 1923 stelt: ‘My whole life has been spent (so far) in seeking to place a value on experience and the objects of experience.’ Het is uiteraard een utopisch streven om met woorden die aspecten van het voorhandene af te tasten waar woorden haast per definitie geen grip op krijgen. Ik sluit mij dan ook graag aan bij Vriezens conclusie: ‘Zijn beste werk mislukt op hoog niveau.’

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *