Schijnheilig in Prishtina, Kosovo

De vrijwilligers van het onlangs ontruimde kraakpand Schijnheilig hadden het in hun hoofd gehaald deze zomer een festival te organiseren bij een uitgestrekt meer in de buurt van Prishtina, Kosovo. Toen ik twee dagen van tevoren op het terrein arriveerde, hadden ze al het nodige in elkaar getimmerd: een tent voor keuken en bar, een groot podium voor de bands en een bijzonder ordentelijk toilet. Men werkte nog aan het kleine podium waar ik mijn kunsten zou gaan vertonen. Ook was een stel bezig een vlot in elkaar te zetten. ‘Wat denk je dat het wordt?’ vroeg er een enthousiast. Het eerlijke antwoord was: een drijvend podium, maar dat leek me wat al te voor de hand liggend, dus ik zei: ‘Ik denk dat het een pontje wordt om de bezoekers te helpen het meer over te steken.’ ‘Bijna goed,’ was de reactie, ‘het wordt een drijvend podium.’ De volgende dag bleek het echter toch een pontje te moeten worden. Opgewekt gingen mensen op weg om het benodigde driehonderd meter lange touw aan te schaffen.

Er kwamen uiteindelijk honderden Kosovaren op het festival af. Ik heb biertjes voor ze getapt, gedichten voor ze voorgedragen en liedjes voor ze gezongen. En ik wist ze zelfs tot meezingen te bewegen: ‘Hou je van me? Hou je van me? Nee, nee, nee!’

Het hoogtepunt van mijn Balkanvakantie moest toen echter nog komen. Na afloop van het festival wilde ik in mijn eentje nog wat gaan wandelen bij Popova Shapka, Macedonië. Ik arriveerde er tegen het vallen van de avond. Het was een klein bergdorpje. Alle hotels die ik zag lagen er uitgestorven bij. Ik begon mij net zorgen te maken, toen een mannetje uit een bouwkeet op mij af kwam lopen. Hij had een getaande huid en miste de helft van zijn tanden. In een mengsel van Frans, Italiaans en Engels maakte hij mij duidelijk dat hij een goedkoop hotel voor me wist: ‘quatro evro par nuit’. Via achterafpaadjes leidde hij mij naar een huis. Hij klopte vergeefs op de achterdeur. Hij klopte vergeefs op de voordeur. Toen wees hij op zijn horloge. ‘Demi heure,’ zei hij. ‘Si quelque chose, je suis au-delà.’ En met die woorden verdween hij weer in de richting van zijn bouwkeet. Een klein half uur later arriveerden vijf bouwvakkers. Verderop waren ze een nieuw politiebureau uit de grond aan het stampen. Het huis bleek een soort berghut te zijn. Buiten de bouwvakkers en mijzelf verbleef er niemand.

Op de avond voor mijn vertrek nodigde de man van de bouwkeet mij uit om het avondmaal met hem te delen: pasta met zonnebloemolie, komkommer met zonnebloemolie en tomaat met zonnebloemolie. In ons beste (niet zo beste) Frans praatten we genoeglijk over de goedkoopheid van mijn herberg en over de schoonheid van het gebied. Hij vertelde dat hij werk zocht. Kon ik in Nederland niet iets voor hem regelen? Ik gebaarde mijn onmacht. En hoewel ik benadrukte dat ik in Amsterdam onmogelijk zo’n goedkoop hotel voor hem zou kunnen regelen, stond hij erop dat ik mijn adres gaf, zodat hij mij nog eens op kon zoeken. Als hij Amsterdam weet te bereiken, wacht hem een warm onthaal.

Krijn Peter Hesselink

2 gedachten over “Schijnheilig in Prishtina, Kosovo”

  1. Krijn Peter, wat spannend dat je Balkan opgezocht hebt. De inleiding daarvoor had je misschien al gehad in het voorjaar in Amsterdam. Ik had nog een taalkundige opmerking-ipv “Buiten de bouwvakkers en ikzelf verbleef er niemand.”zou toch moeten staan “Buiten de bouwvakkers en mijzelf verbleef er niemand.” Dacht ik.
    Het beviel je vast goed. ik zie het voor me. Ben erg blij om je verhaal te lezen. Draga

  2. Dank voor je reactie, beste Draga. Je taalkundige opmerking is geheel terecht. Ik ga er meteen iets aan doen. Krijn Peter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.