Mijn vader heeft nooit de behoefte gevoeld een engel te zijn. ‘Heb geen idee hoe dat moet wezen,’ schrijft hij. Hij is een wetenschapper. In zijn artikelen mogen exotische termen als ‘profetievariabelen’ en ‘angeliek nondeterminisme’ figureren, maar hij laat zich niet verleiden tot mystificaties. Ik wel. Met name Walter Benjamins engel van de geschiedenis oefent een duistere aantrekkingskracht op mij uit. Uit de losse pols vertaal ik wat Benjamin in zijn negende geschichtsphilosophische These over die engel schrijft:
‘Hij heeft zijn gezicht naar het verleden gekeerd. Waar wij een keten van voorvallen zien, daar ziet hij één enkele catastrofe die aanhoudend puin op puin stort en hem dat voor de voeten werpt. Hij zou wel willen blijven om de doden op te wekken en het uiteengeslagene samen te voegen, maar vanuit het paradijs waait een storm zo krachtig in zijn vleugels dat de engel ze niet meer sluiten kan. Deze storm drijft hem onophoudelijk naar de toekomst, die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl voor zijn ogen de puinhopen naar de hemel rijzen. Wat wij de vooruitgang noemen, is deze storm.’
Een tijd geleden, ik was nog niet in de gewoonte interessante artikelen uit te knippen en te bewaren, las ik in de krant over een volk dat als ik het wel heb in Papoea-Nieuw-Guinea leeft of daaromtrent. Dit volk houdt er een angelieke tijdsbeleving op na. In vrijwel alle ons bekende talen en culturen projecteert de mens de toekomst voor zich en het verleden achter zich. In woord en gebaar duiden we de toekomst aan als een bestemming die we, het liefst met krachtdadige tred, tegemoet gaan, terwijl we het verleden behandelen als de weg die ons tot hier heeft gebracht en die we nu achter ons kunnen laten. De mensen uit Papoea-Nieuw-Guinea of omstreken zien dit anders. Het verleden is voor hen een weids uitzicht dat zij in alle rust overzien. De toekomst nadert in hun rug. Onzichtbaar. En volstrekt onvoorspelbaar. De ongedetermineerdheid van de toekomst accepteren zij gelaten. Zij vormen een volk van engelen.
Gisteren zat ik in de trein, aan het gangpad, mijn aktetas had ik naast me bij het raam gezet. De constellatie bleek niet ideaal. Elke keer als er iemand langs kwam, klapte de deur van de coupé hinderlijk tegen me aan. Ik had kunnen besluiten de plaats van mijn aktetas in te nemen, maar ik gunde mijn paperassen hun rust en verkoos de zitplaats tegenover, waardoor ik met mijn rug naar mijn bestemming kwam te zitten. Veel mensen zitten in de trein bij voorkeur met het gezicht naar voren. Zij hebben ongelijk. Zij zien de dingen uit de verte op zich afstormen, maar kunnen die pas goed onderscheiden als ze vlakbij zijn, waarna de dingen bliksemsnel in het niets oplossen, hen verward achterlatend. Bij mij dienden de dingen zich nu juist van dichtbij aan, waarna ik ze in alle rust kon overdenken terwijl ze langzaam maar zeker in een steeds verder verleden terugzakten.
Dit laatste herkent mijn vader. Hij heeft er dertig jaar geleden zelfs een gedicht over geschreven. Toch lijk ik niet op hem. Echt niet. Hij heeft geen fantoompijn aan zijn vleugels.
Krijn Peter Hesselink

{ 2 reacties… read them below or add one }