Goudvissen in een vissekom op wieltjes

Ik had een kwartiertje met Jeroen van Kan door mijn buurt rondgereden toen hij ontdekte dat zijn opnameapparaatje vol was en hij het radio-interview voor beëindigd verklaarde. Pas nadat hij me weer bij mijn voordeur had afgezet, bedacht ik wat ik eigenlijk had moeten zeggen. Jeroen zat echter al op de snelweg. Knarsetandend zat ik die avond te luisteren naar een overigens alleszins vermakelijke aflevering van de VPRO-serie Dichters rijden niet.

Want wat is de auto? Een zeepbel die het hardnekkig vertikt zich door te laten prikken. De mensen zeggen wel dat ze de auto boven de trein verkiezen omdat je met een auto zoveel flexibeler bent, maar op de achtergrond speelt een zwaarwegender argument. De automobilist is een slak die zijn huisje met zich meetorst. Hij verschanst zich achter glas en metaal. In plaats van de publieke ruimte op zich in te laten werken, duwt hij haar bruusk terzijde.

De ongeschoren kerel die in een drukke winkelstraat frontaal tegen me opbotst en zonder me ook maar aan te kijken verder loopt. De modieus geklede studente met in haar hand een Mocha Frappuccino die blindelings oversteekt en als ze me op het laatste moment toch nog aan ziet komen fietsen, niets beters weet te verzinnen dan te bevriezen en uit te roepen: ‘Ik ga dood, ik ga dood!’ De jongen die zonder zijn koptelefoon af te zetten een magnetronmaaltijd afrekent bij de Albert Heijn terwijl hij enthousiast meezingt: ‘I’m on the edge of glory…’ Het zijn allen automobilisten. De buitenwereld moet wijken voor hun binnenwereld. Wie ontvankelijk wil blijven voor zijn medemens, weet wat hem te doen staat: uitstappen. Daarom rijden Krijn Peters niet.

Krijn Peter Hesselink

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *