Nomen nescio

Mijn broer in de voorstelling ‘Broerrr’. Foto: John Treffer
Familiebanden in de kunst, altijd lastig. Afgelopen vrijdag werd ik in Perdu uitgedaagd me uit te spreken over mijn broer, vanuit ‘het idee dat kunstenaars een opvoedende rol kunnen vervullen in verbeeldingen.’ Dit is wat ik zei:

‘Als de dichter en theatermaker Sieger Baljon, beter bekend als broerlief, gevormd is door de kunsten, dan komt dat voor een deel op mijn conto. Ik heb de afgelopen twintig jaar nauwelijks een artistieke of intellectuele bevlieging gehad die ik niet vroeger of later op mijn kleine broertje heb botgevierd. Zo heb ik hem ingewijd in de poëzie van Lucebert, in de muziek van Leonard Cohen, in de romans van Bohumil Hrabal. Al doende heb ik ook allerlei artistieke waarden en normen op hem proberen over te brengen. Het besef dat kunst voor zichzelf moet spreken en ongeschikt is als medium voor politieke betogen. De gedachte dat de kunsten allicht een vormende rol kunnen spelen, maar dan wel op gepaste afstand van de actualiteit. Mijn kleine broertje is zoals het een klein broertje betaamt echter een stoute kleine broer. Hij heeft niet naar mij geluisterd.

Neem het gedicht “Nomen nescio”, dat hij vandaag op mijn speciaal verzoek heeft voorgedragen. Daarin geeft mijn broer uiting aan de politieke overtuiging dat het lovenswaardig is als activisten en krakers weigeren hun naam en identiteit te geven wanneer ze opgepakt worden door de politie. Zelf heb ik daar bedenkingen bij. Weliswaar vind ook ik dat niemand verplicht zou moeten worden om mee te werken aan de eigen veroordeling, maar tegelijkertijd ben ik van mening dat wie uit idealistische motieven het bevoegd gezag trotseert, dat het beste met open vizier kan doen.

Het voert te ver om alle voors en tegens van deze kwestie hier nu uitgebreid te gaan zitten ontleden. Waar het me vooral om gaat is de manier waarop het gedicht met deze materie omspringt, de manier waarop mijn broer zich met het gedicht in het publieke debat positioneert. Ik heb hem het al vaak horen voordragen, in keurige literaire zaaltjes als deze, in kraakpanden, bij demonstraties, en elke keer heb ik weer dezelfde ervaring. Ik word meegesleept door de beelden, door de retoriek, door de manier waarop hij zijn stem en zijn lichaam en heel zijn hebben en houden in de strijd werpt, maar tegelijkertijd word ik geplaagd door een stemmetje in mijn achterhoofd dat hardnekkig blijft roepen: “Ja maar, ja maar, ja maar… heb je hier wel aan gedacht, heb je daar wel aan gedacht?”

In onze gezamenlijke voorstelling Broerrr, waarmee we gisteren nog in de Roode Bioscoop stonden, beweert mijn broer dat ik niet tegen onzorgvuldig redeneren kan. Ik word daar kwaad van. Het probleem met “Nomen nescio” is nu dat mijn broer daarin voor mijn gevoel allerlei geldige redeneringen onder het tapijt veegt. Dat irriteert des te meer omdat hij me met zijn voordracht elke keer toch weer weet te raken.

Behalve door de kunsten zijn mijn broer en ik natuurlijk ook gevormd door onze ouders. Onze vader, hier aanwezig, is een wiskundige, een man die zelden op een ongeldige redenering valt te betrappen, iets wat hij onder meer bewerkstelligt door zich bij voorkeur pas uit te spreken als hij zeker heeft gesteld dat zijn redeneringen geen enkele ongeldigheid bevatten. Onze moeder, die vanavond veiligheidshalve naar Duitsland is uitgeweken, is een psychotherapeute. In tegenstelling tot haar man praat zij juist heel snel. Persoonlijk had ik dat jarenlang niet door. Ik moest er door anderen op worden gewezen. Maar inderdaad, onze moeder kan behoorlijk ratelen en daarbij wil er ook nog wel eens een ongeldige redenering tussendoor glippen. Dat hoeft haar beweringen echter niet perse te ontkrachten, voortgedreven als ze wordt door haar emotionele betrokkenheid. Als je morele kompas maar zuiver genoeg is, kun je ook met een gebrekkige redeneertrant op juiste conclusies uitkomen.

In mijn eigen werk ben ik altijd bang om uitspraken te doen die ik niet waar kan maken. Alles moet onder controle zijn, de vorm, de inhoud, alles moet kloppen. Als ik optimistisch gestemd ben, dan denk ik dat mijn werk hierdoor een bepaalde zuiverheid heeft. Op andere momenten bekruipt me de angst dat ik mezelf hierdoor nodeloos inperk. Ik speel het bij voorkeur op veilig. Als ik word uitgedaagd tot improvisatie, dan is mijn natuurlijke neiging om de kat uit de boom te kijken. Ik waag me pas in het strijdgewoel als ik helemaal heb uitgedacht wat ik wil gaan doen.

Mijn broer heeft geen last van dergelijke scrupules, hij stort zich erin en dat hij al doende fouten zal maken accepteert hij blijmoedig. Of nauwkeuriger: hij weigert blijmoedig zijn fouten als fouten te zien. Waarom zou een onafgemaakte zin of een op niets uitlopend idee minder waard zijn dan een keurig afgerond kwatrijn? Juiste in onze vergeefse pogingen laten we ons kennen.

Mijn broer zal de woekerende natuur dan ook altijd verkiezen boven de menselijke bouwdrift. Waar ik ernaar streef alles clean en helder te houden, daar plant hij onkruid in de strakgespannen lachrimpels van de stad. Waar ik mijn hoofd er voortdurend bij probeer te houden, daar schudt hij zijn kop eraf en blaast het de hoek in, paf! Waar ik me steeds keurig indek, daar kleedt hij zich uit om een jurk aan te trekken van versplinterd veiligheidsglas. Hij is een olifant in de porseleinkast, maar dan wel een die zichzelf bloot geeft, die zichzelf op het spel zet. De scherven snijden in het eigen vlees.

Als er iets is dat ik in mijn broer benijd, dan is het zijn talent voor de overgave. In het Arabisch noemen ze dat: islam.

In zijn beste werk ziet mijn broer ervanaf de eigen redeneringen op te leggen aan de materie. In plaats daarvan geeft hij zich over aan wat zich maar moge aandienen. Zijn kunst heeft geen vormende maar juist een ontvormende functie. Hij roept ons, zijn publiek, ertoe op ons niet langer vast te klampen aan rigide denkbeelden en identiteiten. Als we daar geheel en al gehoor aan zouden geven, zouden we de eigen identiteit langzaam voelen wegvloeien tot we ten slotte zelfs de eigen naam niet meer zouden herkennen. Nomen nescio. Dank jullie wel.’

Krijn Peter Hesselink

5 gedachten over “Nomen nescio”

  1. Een zin die blijft haken: “Als je morele kompas maar zuiver genoeg is, kun je ook met een gebrekkige redeneertrant op juiste conclusies uitkomen.”
    Logisch valt hier niets tegen in te brengen. Voor toepassingen in de wiskunde of de informatica kun je de beperking “morele” misschien beter weg laten, maar ik denk niet dat ik dit op college ga aanbevelen.

  2. Ik ben onder de indruk van je vermogen uit het hoofd zo’n stuk voor te dragen – dan wel, om na afloop een gedeeltelijk geïmproviseerd verhaal letterlijk op te schrijven. Ik ben benieuwd welke van de twee het is en vermoed een combinatie.

    Persoonlijk ben ik geneigd te zeggen dat in Sieger’s beste werk de passie in goede banen geleid wordt door niet zozeer de ratio, als het verhaal dat hij kwijt wil. In verhalen hoeft tenslotte niet, net zo min als in het leven, alles precies te kloppen.

  3. En Katinka, het is inderdaad een combinatie geweest. Ik had het verhaal van tevoren helemaal uitgeschreven, maar heb het voor dit blog na afloop aangepast aan wat ik daadwerkelijk heb gezegd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.