Credo

1 oktober 2013

‘Waarom zeg je toch voortdurend dat je “merkt” dat je ergens boos van wordt, dat je “merkt” dat je iets niet wil? Je bent het zelf hoor!’ Het was een ex-vriendin die me deze woorden ooit naar het hoofd slingerde. Tot op de dag van vandaag hoor ik ze nagalmen. Ze had gelijk. Zolang ik me opstel als de objectieve wetenschapper die overal buiten staat, blijft het pijnlijk leeg in de arena van mijn leven.

Als ik sommige van mijn vroegere gedichten nu teruglees, wil ik in een vlaag van moedeloosheid nog wel eens denken: ‘Zit toch niet de hele tijd zo sensitief te wezen! Doe iets! Neem verantwoordelijkheid! Dat zit daar maar in alle rust zijn gewaarwordingen te noteren, maar wat boeit het in godsnaam?’ Het is een prachtig idee om observaties voor zichzelf te laten spreken – show, don’t tell – maar ben ik al doende misschien blind geworden voor de bloedeloosheid waar dergelijke richtlijnen in kunnen resulteren?

Zoals je nooit geluk in de liefde zult vinden als je het vertikt je te laten kennen, zo zal je een lezer nooit werkelijk kunnen bereiken zonder door te laten klinken vanuit welke persoonlijke betrokkenheid je de woorden aan elkaar hebt geregen. De dichter moet met zijn billen bloot. Dat is de uitdaging die ik mezelf heb gesteld voor mijn vierde dichtbundel, Als niemand vangt, die eind januari in de winkel komt te liggen. Ik kan niet wachten.

Krijn Peter Hesselink

Laat hier een reactie achter.

Vorig stuk:

Volgend stuk:

Chris van der Blonk