De bron van alle kwaad

3 februari 2014

Onlangs betichtte Ricco van Nierop me van een langzame, bijna onwerkelijke vadermoord. Ik kan Van Nierop gerust stellen. De laatste keer dat ik mijn vader zag, tijdens de presentatie van mijn dichtbundel Als niemand vangt, liep hij er nog kwiek bij. We waren voor de gelegenheid te gast in de Mezrab. Sahand Sahebdivani (die later die avond zou worden uitgeroepen tot verhalenverteller van het jaar) en Bas Kisjes (voor wie de titel contrabassist van het jaar zou moeten worden uitgevonden) hadden een troostlied gespeeld om me over mijn bundelstress heen te helpen. Vrienden van mijn vriendin hadden me toevertrouwd dat ze eigenlijk van plan waren geweest me heimelijk een tientje toe te stoppen, maar dat ze de middag zo mooi hadden gevonden dat ze uiteindelijk toch maar gewoon een bundel hadden aangeschaft. Op wat directe familie na was de zaal bijna helemaal leeggelopen – alleen twee van mijn onderburen hingen nog aan de bar en bestelden een biertje – toen mijn vader besloot dat het moment was gekomen om een raadsel uit de wereld te helpen.

Ik heb mijn poëzie niet altijd in de hand. Er zijn enkele thema’s die mijns ondanks voortdurend de kop opsteken in Als niemand vangt. Ladders schuifelen aanhoudend mijn gedichten binnen. De hemel lokt. Soms ben ik het zelf die omhoog dreigt te vallen, soms is het mijn balkon. Mij moet je niet vragen wat de aanwezigheid van deze leidmotieven wil zeggen, maar mijn vader kende de bron van alle kwaad. Hij schraapte zijn keel, om uit zijn hoofd een sonnet voor te gaan dragen dat hij had geschreven toen hij achttien jaar oud was. Haastig trommelde ik een publiek voor hem op. Mijn buurmannen kwamen er nieuwsgierig bij staan. Sahands ouders, die het Farsi beduidend beter beheersen dan het Nederlands, hielden zich beleefd op de achtergrond, maar knikten ons bemoedigend toe. Mijn vader kon beginnen.

‘Er staat een ladder ginder in de schuur,’ zo declameerde hij. Toen was hij zijn tekst kwijt. Met verontschuldigende gebaren wilde ik mijn buren alweer herenigen met hun biertjes en zoutjes aan de bar, toen mijn vader zich herpakte. Nu kwam het sonnet in één stroom over zijn lippen gerold, organisch uitlopend op de fiere slot-terzine, waarin de ladder, die precies vijftig jaar later in mijn bundel weer vaste grond onder de voeten zou krijgen, in de verte verdwijnt:

Luid zingend klimt hij in de hemel. Scheef
tuur ik hem traag mijn ogen uit. Ik leef
één tel totaal. Daarna ben ik hem kwijt.

Krijn Peter Hesselink

Laat hier een reactie achter.

Vorig stuk:

Volgend stuk:

Chris van der Blonk