Het pontje naar Amsterdam-Noord

11 maart 2014

In mijn debuutbundel staat een gedicht dat ik schreef toen mijn grootmoeder met een gebroken heup in een Leids verpleeghuis was komen te wonen. Ze had last van wanen. Toen ik het gedicht aan haar liet lezen, onderbrak ze zichzelf al na een paar woorden en zei: ‘Ja maar dit gaat over mij!’ Nadat ik dit beaamd had, begon ze opnieuw. Deze keer haalde ze de eindstreep. Ze vond het heel mooi, zei ze. En waar bovendien. Ze bevestigde dat ze in de Amsterdamse V&D had liggen slapen en voegde hier nog aan toe dat ze dit ook in de Bijenkorf had gedaan. Even later bleek ze ook op Amsterdam Centraal Station een uiltje te hebben geknapt. Het aantal slaapplaatsen nam hand over hand toe.

Later die middag vertelde ze dat een psycholoog onlangs met haar was komen praten. Dat begreep ze wel. Het ging niet zo goed met haar. Voorzichtig informeerde ik of ze de psycholoog had verteld over haar vermeende escapades in Amsterdam. Daarop begon ze ondeugend te lachen. ‘Nee,’ zei ze, terwijl ze naar me voorover boog. ‘Je moet niet alles vertellen wat je weet…’

Van mijn zus hoorde ik dat grootmoeder een paar dagen later al van mening was dat ze het gedicht zelf had geschreven.

Nu is ze overleden. Op het eind had ze geen idee meer wie ik was. Toch bleef een mooi en blijmoedig contact mogelijk. Ik heb haar nog aan mijn vriendin kunnen voorstellen. We hebben haar nog over de boulevard van Katwijk aan Zee kunnen voortduwen, waarbij de wind haar rok voortdurend opblies, als was ze een Marilyn Monroe op leeftijd. We hebben in een strandtent nog een kopje koffie met haar kunnen drinken, een kopje koffie dat ze eigenlijk helemaal niet zo lekker vond, maar desondanks bijna naar huis had meegenomen.

Hopelijk is het op mijn grootmoeder geïnspireerde gedicht een waardig laatste eerbetoon aan deze warme, intelligente en eigenzinnige vrouw.

Grootmoeder op haar ziekbed

‘Ja ik zie je wel kijken, maar ik fietste toch echt
de Amstel af, gister nog, jij rende met
mij op, riep kijk daar, zon, meeuw, wind die mij opstuwde
met jou in mijn kielzog, werd ik even moe
ik ging gewoon liggen op een bed in de V&D
ja raar was het wel, maar het ging zo en niemand
die iets merkte, ook niet toen ik wakker werd, een zwiep
aan dit rotbeen gaf, verder liep, daar lag het pontje
naar Amsterdam-Noord, een agent nam mijn hand
en bracht mij naar moeder – uw zoon, mevrouw? – tss
alsof alleen jongens in bomen klommen, zo
zag ik ons aan, op de voorplecht, de achterplecht
heen en weer, de mensen stroomden
voorbij en niemand die mij aanzag, zelfs jij niet’

Krijn Peter Hesselink

Laat hier een reactie achter.

Vorig stuk:

Volgend stuk:

Chris van der Blonk