Verdwaald in eigen werk

15 februari 2016

Een tijd terug kreeg ik een email van Michiel, een jeugdvriend die ik in geen twintig jaar heb gezien. Hij schreef: ‘Vorige maand las ik met stijgende verbazing en steeds groter wordende glimlach de recensie van je boek in NRC Handelsblad. Hilarisch hoe de alwetende boekenrecensent zichzelf te kijk zet.’ Criticus Sebastiaan Kort had namelijk ontdekt dat ik me in Moederziel autobio had gegraven. In Korts ogen kon het niet anders of Jonathans verpeste jeugd, waarvan ik zo origineel de erfenis zou hebben getoond, was mijn eigen jeugd.

Michiels spotlust was een welkome steun in de rug. Toch bleef ik twijfelen. Kort stond namelijk niet alleen. Op Cutting Edge schreef Annelies Omvlee: ‘Jonathans opbloeiende vriendschap met buurmeisje Fleur is zo natuurlijk beschreven, dat het bijna niet anders dan autobiografisch kan zijn.’

Ik werd nog altijd geplaagd door de bevreemdende gewaarwording dat het gilde der Nederlandse critici meer wist van mijn kindertijd dan ikzelf, toen ik me onlangs verdiepte in leven en werk van Søren Kierkegaard. Uit de bibliotheek had ik een vuistdikke biografie van de Deense filosoof geleend. Met dit leesvoer hoopte ik de tijd te doden tot de geboorte van mijn eerste dochter, die op tweede kerstdag was uitgerekend, maar zich begin januari nog stug schuilhield in de steeds omvangrijkere buik van mijn vriendin.

Al lezend werd ik getroffen door de hardnekkigheid waarmee Kierkegaard zijn werken onder pseudoniem uitbracht, ook al wist hij dondersgoed dat hij in het kleine Kopenhagen onmogelijk lang geheim kon houden wie er toch achter die intrigerende geschriften zat. In een persoonlijke aantekening lichtte hij toe wat hem hiertoe dreef: ‘Ik verhoud me altijd als een dichter tot mijn werken, daarom gebruik ik een pseudoniem. Telkens als in het boek iets wordt uiteengezet, tekent de overeenkomstige individualiteit zich af.’ Het was alsof Kierkegaard al schrijvend iemand anders werd, alsof hij dan veranderde in een alter ego dat dankzij het pseudoniem duidelijk onderscheiden bleef van Kierkegaard zelf.

Met een schok drong het tot me door dat ik Kierkegaards voorbeeld had moeten volgen. Nu was het te laat. Neêrlands recensentendom had doorzien dat ik mijn identiteit in mijn roman had laten vervloeien met de identiteit van mijn verteller doordat ik zo roekeloos was geweest het werk onder eigen naam uit te brengen. Zo zag Guus Bauer van Literatuurplein in mijn roman een ‘fraai verwoorde geboorte van een dichter’ en stelde hij: ‘De schrijver lijkt zich al in de eerste regels te distantiëren van zijn eigen herinneringen, ze althans in dienst te stellen van Jonathan.’ Olivier Rieter was op Literair Nederland nog ondubbelzinniger in zijn diagnose: ‘dit boek is een aanrader omdat het de lezer tot mijmeren aanzet […] over de mogelijkheid om je los te maken van de herinneringen aan de kindertijd’.

Blijkbaar heb ik me zo succesvol losgemaakt van de herinneringen aan mijn kindertijd dat ik mezelf niet meer ben. Er is me een nieuw leven toegevallen. Toen ik me op acht januari om kwart over zes in de avond terugvond in een operatiekamer van het VU Medisch Centrum en een verpleegster me vroeg overeind te komen zodat ik over het groene doek dat rond de buik van mijn vriendin was gespannen, kon heen kijken, was mijn eerste gedachte: dit kan niet waar zijn. Uit een keurige snede in het vlees dat aan mijn vriendin scheen toe te behoren, stak een luidkeels brullend babyhoofd. Ik was vader. Of beter: ik dacht vader te zijn. In het openingshoofdstuk van mijn debuutroman staat immers te lezen dat ik in paniek naar de dichtstbijzijnde apotheek ben gerend voor een morningafterpil bij het eerste vermoeden dat ik mijn vriendin bezwangerd zou kunnen hebben. Het gepruttel dat ik uit de wieg hoor komen terwijl ik dit neertik, is een illusie, een mooie droom waaruit ik zolang ik leef niet meer hoop te ontwaken.

Krijn Peter Hesselink

{ 2 reacties… read them below or add one }

Boris mei 2, 2016 om 11:59

Wat ben ik voor flutvriend dat ik dit nu pas lees. Mooie illusies, jij autobiomystificatische goochelaar.

Krijn Peter Hesselink mei 2, 2016 om 14:37

Een autobiomystificatische goochelaar, hmmm, dat heb ik nou altijd al willen worden…

Laat hier een reactie achter.

Vorig stuk:

Volgend stuk:

Chris van der Blonk