In een kring van menselijke warmte

19 mei 2017

Hoorde ik dat nou echt in de rij voor de kassa? ‘Got up in the mornin’ ’bout half past four/ dreamed I heard my baby, knockin’ on my door.’ Het was de cassière die zachtjes voor zich uit zat te zingen. Af en toe onderbrak ze zich voor de onvermijdelijke beleefdheden. ‘Goedemiddag, dat is dan acht vijfennegentig, wilt u een bonnetje?’ Maar zodra ze kans zag begon ze weer met haar lied, even terloops als soeverein, terwijl ze de pakken hondenvoer achteloos door haar vingers liet glijden. ‘When I left my baby, he took my hand/ and said: goodbye baby, you’re bound for the promised land.’

Het tafereel deed me denken aan mijn tijd als stagiair bij Poetry International, jaren geleden, toen ik al zingend de festivalpublicaties op missers controleerde. De mensen van Poetry vonden het prima als ik ‘Solitude’ van Duke Ellington of ‘Famous blue raincoat’ van Leonard Cohen door de ruimte liet schallen, zolang ik maar geen tikfouten over het hoofd zag. Bij gedichten in het Fins of het Swahili was dat nog geen peuleschil. Het waren mooie maanden. In een middagprogramma mocht ik een ‘vertaling’ voorlezen van een experimenteel sonnet dat op duizenden manieren door elkaar gehusseld kon worden. Volgens mij hadden ze me het gedicht alleen maar toegeschoven omdat het redelijkerwijs onvertaalbaar was. Ook in andere opzichten maakte ik indruk. Naar het schijnt hebben ze nog jarenlang een Krijn-Peter-Hesselink-trofee uitgereikt voor de meest onhandige stagiair. Het is me niet helemaal duidelijk waaraan ik die eer te danken had, maar het moet iets te maken hebben gehad met mijn geheel eigen manier van kaasschaven.

Door de burelen van Poetry zwierven nogal wat dichtbundels. Daar hadden ze lang niet altijd een bestemming voor. Na het festival mocht ik er een paar meenemen. Zo kwam ik in het bezit van Het boek van de beminnelijkheid van Rogi Wieg. Ik moet bekennen dat ik het aanvankelijk nauwelijks heb ingekeken. Misschien moest ik nog wat meer levenservaring opdoen voor ik er rijp voor was. Toen Peter de Rijk me onlangs vroeg een gedicht te schrijven voor een eerbetoon aan Wieg, trok ik de bundel weer eens uit de kast en deze keer werd ik wel gegrepen. In het gedicht ‘Een kleine vogel’ stuitte ik op de volgende regels: ‘De mens hoort het fluiten dat zich afzondert/ van de stilte, zoals zich soms een gedachte/ van alle andere gedachten kan afzonderen’.

Ik wist niet zeker of ik begreep wat deze woorden te betekenen hadden. Toch brachten ze me onmiddellijk de benodigde inspiratie. Peter de Rijk nam het resulterende gedicht graag op in In een kring van menselijke warmte, een boek dat – hoe toepasselijk – gepresenteerd zal worden op Poetry International. Gedichten hoef je niet te begrijpen, zoals je van een zangeres niet hoeft te weten wat haar ertoe beweegt om haar stem te verheffen. De zingende cassière zal ik niet snel vergeten. Als ik mijn ogen sluit, hoor ik haar stem zich weer losmaken van het geroezemoes in de supermarkt. ‘Well, look-a-look-a-yonder at what I see/ it’s an angel, comin’ after me.’

Ode aan Rogi Wieg
De presentatie van In een kring van menselijke warmte (Uitgeverij In de Knipscheer)
Donderdag 1 juni 2017
18.00-19.00 uur
Ro Zaal, Ro Theater (William Boothlaan 8, Rotterdam)
Zie: www.poetry.nl

Krijn Peter Hesselink

Laat hier een reactie achter.

{ 1 trackback }

Vorig stuk:

Chris van der Blonk