Popster in een peepshow

Het is wel weer eens fijn een amateuristische beginneling te zijn. Als podiumdichter weet ik meestal behoorlijk goed wat ik doe. Dat heeft iets geruststellends, maar het is ook wat saai. Daarom heb ik me een tijdje terug voor ‘De Culturele Peepshow’ vol enthousiasme in het diepe gestort van een nieuwe tak van sport.

Er liepen die middag op Perdu een paar louche types rond – sportschoenen, vies snorretje, bling-bling, dat werk. Zij namen het publiek in kleine groepjes mee naar een afwerkplek in de rosse buurt voor een hoogstpersoonlijke voorstelling. Als publiek wist je niet wie of wat je te wachten stond. Daar kwam je pas achter als de deur van de morsige hotelkamer achter je was dichtgevallen. Misschien stuitte je op Goran Baba Ali die een ‘experimenteel gesprek’ met je aanging, misschien werd je vergast op John Cage’s ‘Suite for Toy Piano’ door componist/pianist Dante Boon, misschien kroop een ‘verhalenoma’ bij je in bed. Of misschien zat ik je aan te grijnzen.

Mijn eerste publiek was een meisje met lange blonde lokken. Ik legde haar uit dat ik rond de jaarwisseling had besloten popster te worden. Ik wilde gillende tienermeisjes en als dichter ging dat echt niet lukken. Dus ik kocht een gitaar, ik leerde mezelf daarop spelen en ik schreef een klein Nederlandstalig repertoire bij elkaar. Nu wilde ik de eerste vruchten van mijn inspanningen op haar uitproberen. Ondanks mijn rammelende spel begon ze na afloop braaf te joelen. Mijn tweede publiek, twee meisjes deze keer, wist ik zelfs zo ver te krijgen mee te gaan zingen met een lied waarvan het refrein luidde: ‘toet toet, boink boink, toet toet, boink boink, toet toet, boink boink, iiiiiiiii!’ Mijn derde en laatste publiek bleek iets lastiger. Het bestond uit twee Italianen die er volgens mij geen idee van hadden waar ze waren beland. Ze spraken geen Nederlands en slechts een beetje Engels. Ook op hen probeerde ik het meezinglied uit. Ze begrepen dondersgoed wat er van hen verwacht werd, maar toen het moment gekomen was om mee te zingen keken ze me alleen maar met grote angstige ogen aan, terwijl ik tergend traag door het refrein heenging. Heel grappig. Al was het misschien niet zo aardig van me.

Na afloop liet ik me met een voldaan gevoel oplossen in de anonieme menigte die over de Wallen voortsjokte. In mijn hotelkamer was ik een ster geweest. Voor één à twee man publiek.

Krijn Peter Hesselink

Lucebert, de geboorte van een kunstenaarschap

Europa was na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog moeizaam weer overeind aan het krabbelen toen ene Lubertus Swaanswijk in 1945 schreef: ‘een nieuwen mensch hebben wij te vormen, hebben wij te kneden, en het vormenmateriaal, het leem dat zijn wij zelf’. In de daaropvolgende jaren betoonde dit leem zich bijzonder vruchtbare grond. Zowel in … “Lucebert, de geboorte van een kunstenaarschap” verder lezen

En weer haastte ik mij langzaam…

‘Vanaf het begin was natuurlijk duidelijk dat we Krijn Peter niet zouden laten winnen,’ zo begon Pim te Bokkel in zijn juryrapport. Ik was weer in de poëzieslag van Festina Lente beland, de slam der slams aan de Amsterdamse Looijersgracht. Het begon een week geleden. Eva van Pelt belde mij op, het vriendinnetje van mijn … “En weer haastte ik mij langzaam…” verder lezen